Vermanen, vergeven en verzwijgen

Het mysterie van de biecht in de achttiende- en negentiende-eeuwse Zuidelijke Nederlanden

Elwin Hofman

In 1856 verscheen in Luik een antiklerikaal boekje dat kort nadien vertaald werd als Catechismus ten gebruike van hen, die, ten gevolge der mandementen der Belgische bisschoppen, niet katholiek meer zijn. In de klassieke vraag-antwoordvorm van de catechismus dreef de auteur de spot met allerlei katholieke gebruiken, waaronder in het bijzonder de biecht.

V. Wat is de biecht?
A. Het zekerste middel, om geheimen te ontdekken.
V. Wat meer?
A. Eene school, waar de boeteling het kwaad leert, wat hij nog niet weet. […]
V. Wie gaat er biechten?
A. De vrouw.
V. Wat stelt den echtgenoot gerust?
A. Het celibaat van den priester.
V. En wat moest hem schrik aanjagen?
A. Datzelfde celibaat.

De anonieme auteur vertolkte een ruimer gevoel van onbehagen. De priester was een machtig man: hij kwam in de biecht veel geheimen te weten. Hij kon zijn biechtelingen voorlichten in de (seksuele) moraal. En wat deed hij precies met vrouwen, als die met hem afgezonderd waren?

Biechten was een veelvoorkomend ritueel in de Zuidelijke Nederlanden van de achttiende en negentiende eeuw. Bijna alle inwoners van het land gingen minstens een keer per jaar bij hun biechtvader langs om hun zonden te belijden. Desondanks werd het ritueel omringd door een waas van geheimzinnigheid. Wat in de biecht gezegd werd, bleef immers tussen de biechtvader en de biechteling. Niemand wist wat er in de biechtstoel werd verteld – of dat was toch de bedoeling. Net daardoor werd de biecht zo’n enigmatisch fenomeen, dat zowel nieuwsgierigheid als argwaan opwerkte.

Het enigma rond de biecht liet ook historici niet koud: de geschiedenis van de biecht lijdt geen gebrek aan aandacht. Al in 1896 verscheen Henry Charles Lea’s magistrale driedelige A History of Auricular Confession and Indulgences in the Latin Church. Neutraal was Lea zeker niet: zijn geschiedenis vertrok vanuit een duidelijk protestants perspectief. Hij verheelde zijn scepsis over de aflatenhandel, de laksheid van de boetedoeningen en de almacht van de katholieke clerus over het gelovige volk niet. Zijn uitvoerige documentatie met theologische traktaten en handboeken voor biechtvaders zorgde er echter voor dat zijn studie tot diep in de twintigste eeuw het standaardwerk ter zake bleef. In zijn spoor verschenen tal van andere, vooral institutionele en kerkhistorische studies van de biecht.

Vanaf het midden van de jaren 1970 kwam er een nieuwe interesse in de biecht vanuit een meer sociale optiek. Enerzijds kwam die op vanuit de Anglo-Amerikaanse wereld. John Bossy bestudeerde bijvoorbeeld de overgang van een biechtritueel met als focus verzoening in de lokale gemeenschap tijdens de middeleeuwen, naar een ritueel met een focus op individuele discipline tijdens de vroegmoderne tijd. Anderzijds werd tegelijkertijd ook in het Franse onderzoek een nieuwe weg ingeslagen, in het bijzonder door de provocatieve analyses van Michel Foucault. In zijn colleges over Les anormaux en in zijn Histoire de la sexualité benadrukte hij hoe de biecht individuen vormde en disciplineerde. Hij betoogde onder meer dat de biecht zo mee aan de basis lag van een geïndividualiseerd seksueel verlangen.

Die interesse in de biecht als een disciplinerend en individualiserend ritueel zette zich door in de recentere geschiedschrijving. Steeds meer hadden onderzoekers niet alleen aandacht voor theologen en biechtvaders, maar ook voor de visies en ervaringen van gewone gelovigen. In het werk van onder meer David Myers, Wietse de Boer en Patrick O’Banion werden de disciplinerende effecten van de biecht in verschillende regio’s bestudeerd. Ze hadden daarbij ruime aandacht voor de manier waarop gelovigen omgingen met de aanmaningen van hun biechtvaders. Tegelijk bleef ook een kerkhistorische benadering aanhang vinden en verschenen er meer gedetailleerde studies naar de rol van seksualiteit in de biechtstoel en naar de complexe verhoudingen tussen biechtvaders en biechtelingen.

In al dit onderzoek is er opmerkelijk weinig aandacht geweest voor de achttiende en negentiende eeuw. Er is weinig bekend over hoe biechtpraktijken in deze latere periode veranderd zijn. De Zuidelijke Nederlanden zijn bovendien al helemaal weinig onderzocht. Nochtans kan deze regio – als een van de grote succesverhalen van de contrareformatie – een belangrijke casus zijn om de disciplinerende effecten van de biecht te onderzoeken. In dit artikel wil ik dan ook een tipje oplichten van de sluier rond de achttiende- en negentiende-eeuwse biechtpraktijk in de Zuidelijke Nederlanden. Ik zal tonen dat de geheimzinnigheid die de biecht omringde tegelijk haar sterkte en haar zwakte was. De angst en de nieuwsgierigheid die de biecht opwekte, maakten het tot een uniek instrument van sociale controle – een instrument om gelovigen onder de knoet te houden, maar ook een instrument voor die gelovigen om zich daartegen te verzetten.

Tegelijk probeer ik in dit artikel een model te bieden voor lokaal historisch onderzoek naar biechtpraktijken. De biecht was een kleurrijk ritueel dat een belangrijke rol speelde in het leven van veel gewone mensen. Aandacht voor dat ritueel kan lokaal-historische studies naar religie, sociale controle en dagelijks leven verrijken. Door gebruik te maken van een divers corpus van bronnen – van handboeken voor biechtvaders over sermoenen en leerboeken tot strafdossiers – kunnen we een rijk beeld schetsen van de dagdagelijkse biechtpraktijk en alle geheimzinnigheden, angsten en nieuwsgierigheden errond, en dat in de eerste plaats op een microniveau. Er is voor lokaal onderzoek naar het christelijk leven in het verleden al vruchtbaar gebruik gemaakt van decanale en bisschoppelijke visitatieverslagen.8 Ook voor de biecht bevatten die veel nuttige informatie. Maar hier wil ik daar vooral enkele andere, misschien minder bekende bronnen aan toevoegen.

Print Friendly, PDF & Email
Geplaatst in Artikels Tijd-Schrift.