De kieren van de tempelpoort

Negentiende-eeuwse vrijmetselaarsloges tussen geheim, divulgatie en angst

Jeffrey Tyssens

Een geheim genootschap?
Kan de vrijmetselarij gekenschetst worden als een geheim genootschap? Velen denken dat. Nochtans is de historische realiteit een stuk complexer dan deze algemene typering zou laten vermoeden. Interessante aanknopingspunten om de status van het geheim in de geschiedenis van de (Belgische) vrijmetselarij wat preciezer te kunnen vatten, kan men alvast terugvinden in het oeuvre van de Duitse socioloog Georg Simmel (1858-1918). In enkele klassieke teksten maakte deze laatste een fijnzinnige analyse van het geheim dat hij omschreef als een van de grootste verwezenlijkingen van de menselijke beschaving: het kunnen geheimhouden van dingen maakte het immers mogelijk om een subtiele wisselwerking op te bouwen tussen twee werelden, die van het bekende en die van het verborgene. Dat liet bijvoorbeeld toe om geraffineerde menselijke relaties op te bouwen, waarbij het meer of minder delen van geheimen meteen ook nabijheid of afstand kon genereren: zonder dit soort ‘spel’ geen liefde of vriendschap. Simmel had daarbij ook aandacht voor de plaats van het geheim op een meer omvattend, zeg maar op een algemeenpolitiek niveau. Hij meende immers te kunnen vaststellen dat doorheen de geschiedenis van de moderne samenleving (hij schreef zelf kort na de eeuwwisseling) staatszaken steeds meer openbaar waren geworden, terwijl de persoonlijke sfeer nadrukkelijker in de beslotenheid terecht kwam. Hoewel Simmel het geheim als een neutrale categorie hanteerde – het kon zowel op positieve als op negatieve manier worden gehanteerd – legde hij toch de nadruk op het feit dat het geheim vooral een sfeer van vrijheid kon creëren. En hier kwamen ook verenigingen zoals de vrijmetselarij in zijn blikveld.

Simmel schonk inderdaad aandacht aan het fenomeen van het ‘geheim genootschap’ en benadrukte daarbij dat er een onderscheid moest worden gemaakt tussen een geheim genootschap stricto sensu en datgene wat hij als een quasi geheim genootschap omschreef. De eerste variant hield eenvoudigweg alles verborgen, ook zijn bestaan. Quasi geheime genootschappen deden dat niet: zij plaatsen bepaalde aspecten van hun activiteit in de beslotenheid, maar ontkenden het eigen bestaan zeker niet. Daarom was Simmel dan ook expliciet in zijn typering van de vrijmetselarij als behorende tot de tweede categorie. Daarvoor had hij goede redenen. Het inwijdende karakter van de loges en hun ontstaan in een tijdvak waarin de vrijheid van vergadering nog lang geen gemeengoed was, maakte die beslotenheid tot een interessante organisatorische techniek, maar tegelijkertijd mocht die maçonnieke geheimhouding met een flinke korrel zout worden genomen. In de Britse bakermat was het in de achttiende eeuw gemeengoed dat vrijmetselaars in parades door de straten opstapten, bijvoorbeeld om samen een toneelvoorstelling te gaan bijwonen. Maar niet elke context was even receptief daarvoor. Menige wereldlijke macht – zelfs in protestantse staten – bekeek destijds het genootschap met argwaan en dat was in katholieke regio’s zo mogelijk nog meer het geval: de paus was er immers snel bij om een sociëteit te veroordelen die tolerantie en evenwaardigheid van religies vooropstelde. Geen wonder dus dat in regio’s waar de Katholieke Kerk domineerde de vrijmetselaars heel wat discreter zouden optreden.

Na de Franse Revolutie zou dat gegeven slechts versterken: de associatie die in allerhande publicaties zou worden gemaakt tussen vrijmetselarij en subversie plaatste de loges immers in een negatief politiek daglicht. Hun rol in de revolutie was nihil geweest, maar de perceptie was anders en uiteindelijk nam menig vrijmetselaar – alvast toch in regio’s als de onze – die beschuldiging op als een soort ereteken. De confrontatie met de geestelijkheid droeg niet weinig bij tot het geleidelijk opschuiven van de loges in liberale richting en tot het verder uitdiepen van de geheimhouding, niet alleen als zelfbescherming, maar ook als instrument om een intern politiek debat vorm te kunnen geven dat vrij zou zijn van elke kerkelijke of andere druk. Het resultaat is welbekend: in het jonge België zouden de loges zich ontpoppen tot de ware ruggengraat van de liberale partij.

Maar een volwaardig geheim genootschap vormden zij daarom evenwel nog niet, getuige daarvan slechts de enkele publieke stellingnames. Maar wat dan wel? Wat mocht doorsijpelen naar het publiek en wat niet? Er bestond met andere woorden, als we een ruimtelijke metafoor gebruiken, een soort van beweeglijk grensgebied ‘binnen/buiten’. De vrijmetselaarsloges, in België evengoed als elders, moesten een soort contextgebonden negotiatie maken tussen welke informatie werd vrijgegeven en welke niet. Welke mechanismen maakten dat er dan toch gegevens langs de kieren van de tempelpoort naar ‘buiten’ sijpelden die men liever ‘binnen’ had gehouden? Wat liet men wel naar ‘buiten’ gaan en waarom? Hoe ging de buitenwacht daarmee om? En hoe hing dat alles samen met de constructie van angsten en mythes betreffende de vrijmetselarij of haar vijanden?

Lees het volledige artikel (pdf)

Print Friendly, PDF & Email
Geplaatst in Artikels Tijd-Schrift.